6. Binding aan de context

Wat is dit?

Leren en onthouden verloopt pas goed als de situatie waarin we leren veel te maken heeft met de situatie waarin we het geleerde willen gebruiken. Als een cursist in de les een gesprekje leert voeren bij de tandarts, dan onthoudt hij dit het beste als hij het een paar keer achter elkaar bij een echte tandarts kan toepassen. Dat is moeilijk te realiseren, vandaar dat we in het talenonderwijs veel werken met rollenspelen in de klas en oefeningen waarbij persoon A iets weet en persoon B iets anders (information gap-oefeningen). Het belangrijkste woord hierbij: transfer! Daarna moeten cursisten het geleerde in de praktijk brengen, door bijvoorbeeld buitenschoolse opdrachten te doen.

Wat betekent dit voor de cursist en het onderwijs?

In een ideale omgeving is voor de cursisten van meet af aan duidelijk waarom ze bepaalde woorden en zinnen leren. In de les krijgen zij deze volgens het bekende ABCD-model van Neuner aangeleerd, met gebruik van authentieke of natuurlijke teksten. Daarna oefent de docent in een vrije situatie het geleerde met de cursisten. Het oefenen voor een cruciale praktijksituatie (CP) is een goed begin daarbij. Voor een transfer naar de eigen wereld van de cursist is het daarna belangrijk dat de cursist ook inbreng heeft bij het leren: is hij bekend met de situatie? Wat heeft hij nog nodig om het geleerde in praktijk te brengen? Worden de situaties zo ingeoefend dat de cursist goed beslagen ten ijs komt? En, heel belangrijk: is er na de praktijkopdrachten weer een transfer naar de les? Worden de praktijkopdrachten goed besproken? Is er ruimte voor het uitwisselen van ervaringen en voor het oefenen van moeilijke situaties?

Hoe wordt deze succesfactor gemeten?

De onderzoeker observeert tijdens de les hoe deze succesfactor wordt toegepast. We kijken of er naast het oefenen voor de CP’s verdieping is voor de cursisten. Worden de buitenschoolse opdrachten nabesproken?